BWBR0042952
Geldig vanaf 2020-01-01
Artikel 3.3
Wet bronbelasting 2021
1. De voordelen in de vorm van renten zijn de vergoedingen van welke aard dan ook – kosten daaronder begrepen – uit hoofde van geldleningen verschuldigd door:
a. een in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige; of
b. een niet in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige voor zover de met die vergoedingen corresponderende lasten worden toegerekend aan een vaste inrichting in Nederland.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een geldlening verstaan: een schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vaste inrichting mede verstaan: onroerende zaken, rechten, schuldvorderingen en werkzaamheden als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002672/artikel/17a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969</a>.
a. een in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige; of
b. een niet in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige voor zover de met die vergoedingen corresponderende lasten worden toegerekend aan een vaste inrichting in Nederland.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een geldlening verstaan: een schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vaste inrichting mede verstaan: onroerende zaken, rechten, schuldvorderingen en werkzaamheden als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002672/artikel/17a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969</a>.