Aan de directeur bedrijfsvoering van het CBR wordt mandaat verleend ten aanzien van:
a. De afgifte van het beperkt groot vaarbewijs, het groot vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat schipper, bedoeld in artikel 7.18 van de Binnenvaarregeling, het kwalificatiecertificaat deskundige op het gebied van de passagiersvaart, het kwalificatiecertificaat deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas, bedoeld in artikel 7.19b van de Binnenvaartregeling en de specifieke vergunningen, bedoeld in artikel 7.19a van de Binnenvaartregeling, het zeilbewijs en het vrijstellingsbewijs schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype;
b. de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 1.05, tweede en derde lid, 1.06, eerste en tweede lid, 4.01, tweede lid, 4.02, derde lid, 6.01, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 7.03, eerste lid, 8.01, 8.02, 8.03, 12.01, vierde lid, 12.02, derde lid, 12.03, derde lid, 12.04, eerste lid, 12.06, 12.07, 12.08, 13.02, derde en vierde lid, 13.03, vierde, vijfde en zesde lid, 13.04, derde lid, 13.06, tweede lid, 15.04, 15.05, eerste en derde lid, 15.06, tweede lid, 16.02, 16.03, 16.04, 16.05, 16.06, eerste en derde lid, 16.10 en 20.03, tweede en derde lid, 20.10, tweede lid van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn;
c. de in artikel 7.18, vierde lid, van de Binnenvaartregeling bedoelde beoordeling van de vaartijd;
d. de afgifte van het klein vaarbewijs;
e. de afgifte van het groot pleziervaartbewijs;
f. de afgifte van het ICC.