1. In het kader van de beoordeling van de bekwaamheid en geschiktheid voor een functie, met uitzondering van de functies bedoeld in het derde lid en van vertrouwensfuncties als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, kan de overheidswerkgever een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevensverwerken, indien hij van de kandidaat voor die functie, onderscheidenlijk van de ambtenaar die de functie vervult, heeft gevergd dat deze die verklaring overlegt.
2. De overheidswerkgever kan justitiële gegevens, die op grond van de
artikelen 23,
25,
26en
27 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevensaan hem kunnen worden verstrekt, verwerken ten behoeve van de beoordeling van de geschiktheid en bekwaamheid van een kandidaat voor een functie, onderscheidenlijk van de ambtenaar die de functie vervult, indien die functie:
a. geen vertrouwensfunctie is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, en;
b. de functie bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend belang dit vordert.
3. De verklaring, bedoeld in het eerste lid en de justitiële gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden van de in die leden bedoelde kandidaat slechts gevraagd als die kandidaat naar het oordeel van de overheidswerkgever overigens voldoende bekwaam en geschikt is voor de functie.