In geval van vervreemding als bedoeld in artikel 2keurt de minister een besluit als bedoeld in
artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, uitsluitend goed, indien:
a. aan de voorwaarden van artikel 3 is voldaan,
b. in het geval in de statuten een bepaling is opgenomen inzake vereffening en ontbinding van de wooncoöperatie en sprake is geweest van vervreemding aan de wooncoöperatie tegen minder dan 90% van de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of WOZ-waarde in die bepaling is bepaald dat een eventueel batig saldo wordt bestemd overeenkomstig het bepaalde in onderdeel e,
c. de vervreemding geschiedt tegen een prijs van ten minste 50% van de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde,
d. de woongelegenheid wordt vervreemd onder het beding dat uitsluitend leden van de wooncoöperatie in de woongelegenheden hun hoofdverblijf zullen hebben, en
e. indien de vervreemding geschiedt tegen minder dan 90% van de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of WOZ-waarde de vervreemding plaatsvindt onder het beding dat de verkrijgende wooncoöperatie, bij een opvolgende vervreemding als gevolg van de vervreemding door de toegelaten instelling: 1°. het verschil tussen ten minste 90% van de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde en ten hoogste de betrokken waarde op het tijdstip van die opvolgende vervreemding en de prijs die hij voor de woongelegenheid of het complex heeft betaald aan de toegelaten instelling betaalt, en
2°. het verschil tussen de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde op het tijdstip van de opvolgende vervreemding en de prijs die hij voor de woongelegenheid of het complex heeft betaald aan de toegelaten instelling deelt met de toegelaten instelling, waarbij het percentage van de waardeontwikkeling dat ten goede of ten laste van de toegelaten instelling komt: i. 1,5 maal het verschil is tussen 100 en het percentage van de betrokken waarde dat wooncoöperatie heeft betaald, dan wel
ii. 50 is, indien de toepassing van onderdeel 1° tot een hoger percentage dan 50 zou leiden.
i. 1,5 maal het verschil is tussen 100 en het percentage van de betrokken waarde dat wooncoöperatie heeft betaald, dan wel
ii. 50 is, indien de toepassing van onderdeel 1° tot een hoger percentage dan 50 zou leiden.
1°. het verschil tussen ten minste 90% van de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde en ten hoogste de betrokken waarde op het tijdstip van die opvolgende vervreemding en de prijs die hij voor de woongelegenheid of het complex heeft betaald aan de toegelaten instelling betaalt, en
2°. het verschil tussen de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde op het tijdstip van de opvolgende vervreemding en de prijs die hij voor de woongelegenheid of het complex heeft betaald aan de toegelaten instelling deelt met de toegelaten instelling, waarbij het percentage van de waardeontwikkeling dat ten goede of ten laste van de toegelaten instelling komt: i. 1,5 maal het verschil is tussen 100 en het percentage van de betrokken waarde dat wooncoöperatie heeft betaald, dan wel
ii. 50 is, indien de toepassing van onderdeel 1° tot een hoger percentage dan 50 zou leiden.
i. 1,5 maal het verschil is tussen 100 en het percentage van de betrokken waarde dat wooncoöperatie heeft betaald, dan wel
ii. 50 is, indien de toepassing van onderdeel 1° tot een hoger percentage dan 50 zou leiden.