BWBR0041313
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 8.19
Besluit kwaliteit leefomgeving
1. Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het gebruik door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, van:
a. ontplofbare stoffen en voorwerpen die behoren tot ADR-klasse 1, op een schietbaan of een combinatie van schietbanen, bedoeld in artikel 3.335, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als die schietbaan of combinatie van schietbanen ligt in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde; of
b. ontplofbare stoffen en voorwerpen die behoren tot ADR-klasse 1, op een springterrein, bedoeld in artikel 3.335, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan 60 B s,dan.
3. Het tweede lid is niet van toepassing als het geluidgevoelige gebouw op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.
4. Op het berekenen van het geluid, bedoeld in het tweede lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
a. ontplofbare stoffen en voorwerpen die behoren tot ADR-klasse 1, op een schietbaan of een combinatie van schietbanen, bedoeld in artikel 3.335, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als die schietbaan of combinatie van schietbanen ligt in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde; of
b. ontplofbare stoffen en voorwerpen die behoren tot ADR-klasse 1, op een springterrein, bedoeld in artikel 3.335, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan 60 B s,dan.
3. Het tweede lid is niet van toepassing als het geluidgevoelige gebouw op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.
4. Op het berekenen van het geluid, bedoeld in het tweede lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.