BWBR0041313
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 2.14
Besluit kwaliteit leefomgeving
1. Een grondwaterlichaam verkeert in een goede chemische toestand. Van een goede chemische toestand is sprake als:
a. wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in bijlage V, punt 2.3.2, bij de kaderrichtlijn water, en de eisen, bedoeld in bijlage IV, tabellen A en B; of
b. niet wordt voldaan aan de eisen, bedoeld onder a, maar gedeputeerde staten door een passend onderzoek in overeenstemming met bijlage III bij de grondwaterrichtlijn hebben bevestigd dat wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, en vijfde lid, van die richtlijn.
2. Elke voorwaarde en eis, bedoeld in het eerste lid, onder a, is afzonderlijk een omgevingswaarde.
3. De omgevingswaarden zijn andere verplichtingen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/2.10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet</a>, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, onder ii, van de kaderrichtlijn water.
4. De omgevingswaarden gelden voor een grondwaterlichaam dat op grond van artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder b, is aangewezen in een regionaal waterprogramma.
a. wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in bijlage V, punt 2.3.2, bij de kaderrichtlijn water, en de eisen, bedoeld in bijlage IV, tabellen A en B; of
b. niet wordt voldaan aan de eisen, bedoeld onder a, maar gedeputeerde staten door een passend onderzoek in overeenstemming met bijlage III bij de grondwaterrichtlijn hebben bevestigd dat wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, en vijfde lid, van die richtlijn.
2. Elke voorwaarde en eis, bedoeld in het eerste lid, onder a, is afzonderlijk een omgevingswaarde.
3. De omgevingswaarden zijn andere verplichtingen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/2.10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet</a>, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, onder ii, van de kaderrichtlijn water.
4. De omgevingswaarden gelden voor een grondwaterlichaam dat op grond van artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder b, is aangewezen in een regionaal waterprogramma.