BWBR0041297
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 4.192
Besluit bouwwerken leefomgeving
1. Een hoofdtoegang van een gebouw met een toegankelijkheidssector grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad of steiger voert met:
a. een breedte van ten minste 1,1 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: i. bij een verhard pad: een helling die voldoet aan artikel 4.30; en
ii. bij een steiger: een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 4.2.4.
i. bij een verhard pad: een helling die voldoet aan artikel 4.30; en
ii. bij een steiger: een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 4.2.4.
2. Een hoofdtoegang van een woongebouw zonder toegankelijkheidssector grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:
a. een breedte van ten minste 1,1 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.
3. Een hoofdtoegang van een woonfunctie als bedoeld in artikel 4.182, tweede lid, die niet gelegen is in een woongebouw, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:
a. een breedte van ten minste 0,85 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.
4. Een hoofdtoegang van een gebruiksfunctie in een gebouw zonder toegankelijkheidssector, die rechtstreeks bereikbaar is vanaf het aansluitende terrein, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:
a. een breedte van ten minste 1,1 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.
5. De toegang van een buitenberging of de toegang van de gemeenschappelijk verkeersruimte naar een buitenberging als bedoeld in artikel 4.172, derde lid, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:
a. een breedte van ten minste 1,1 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.
6. Een doorgang waardoor een in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde route voert, heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m.
a. een breedte van ten minste 1,1 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: i. bij een verhard pad: een helling die voldoet aan artikel 4.30; en
ii. bij een steiger: een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 4.2.4.
i. bij een verhard pad: een helling die voldoet aan artikel 4.30; en
ii. bij een steiger: een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 4.2.4.
2. Een hoofdtoegang van een woongebouw zonder toegankelijkheidssector grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:
a. een breedte van ten minste 1,1 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.
3. Een hoofdtoegang van een woonfunctie als bedoeld in artikel 4.182, tweede lid, die niet gelegen is in een woongebouw, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:
a. een breedte van ten minste 0,85 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.
4. Een hoofdtoegang van een gebruiksfunctie in een gebouw zonder toegankelijkheidssector, die rechtstreeks bereikbaar is vanaf het aansluitende terrein, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:
a. een breedte van ten minste 1,1 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.
5. De toegang van een buitenberging of de toegang van de gemeenschappelijk verkeersruimte naar een buitenberging als bedoeld in artikel 4.172, derde lid, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:
a. een breedte van ten minste 1,1 m; en
b. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.
6. Een doorgang waardoor een in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde route voert, heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m.