BWBR0041297
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 4.182
Besluit bouwwerken leefomgeving
1. Op ten minste een route tussen de vloer ter plaatse van een hoofdtoegang van een woongebouw zonder een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.
2. Bij een hoofdtoegang van een woonfunctie is een hoogteverschil op de route tussen een niet-gemeenschappelijke vloer en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein of de gemeenschappelijke verkeersruimte is niet groter dan 1 m.
3. Dit lid is nog niet in werking getreden.
4. Bij ten minste een toegang van een buitenberging als bedoeld in artikel 4.172is een hoogteverschil op de route tussen de vloer van de buitenberging en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein, groter dan 0,02 m, overbrugd door een hellingbaan.
5. Op ten minste een route tussen ten minste een uitgang van een woonfunctie en een gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175, tweede lid, is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een lift of een hellingbaan.
6. Een woongebouw waarin de vloer ter plaatse van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift, met een liftkooi met een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.
7. Op ten minste een route tussen de vloer ter plaatse van een hoofdtoegang van een gebruiksfunctie, gelegen in een gebouw zonder een toegankelijkheidssector, en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.
2. Bij een hoofdtoegang van een woonfunctie is een hoogteverschil op de route tussen een niet-gemeenschappelijke vloer en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein of de gemeenschappelijke verkeersruimte is niet groter dan 1 m.
3. Dit lid is nog niet in werking getreden.
4. Bij ten minste een toegang van een buitenberging als bedoeld in artikel 4.172is een hoogteverschil op de route tussen de vloer van de buitenberging en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein, groter dan 0,02 m, overbrugd door een hellingbaan.
5. Op ten minste een route tussen ten minste een uitgang van een woonfunctie en een gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175, tweede lid, is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een lift of een hellingbaan.
6. Een woongebouw waarin de vloer ter plaatse van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift, met een liftkooi met een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.
7. Op ten minste een route tussen de vloer ter plaatse van een hoofdtoegang van een gebruiksfunctie, gelegen in een gebouw zonder een toegankelijkheidssector, en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.