De buitengewoon agent van politie is, zodra hij met goed gevolg de opleiding aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden heeft voltooid, bevoegd bij het opsporen van de in artikel 3 genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, juncto
artikel 13 van de Rijkswet Politie. Hij gedraagt zich overeenkomstig de op hem van toepassing zijnde Ambtsinstructie.