1. Natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van deze wet het dagelijks beleid van een accountantsorganisatie bepalen worden tot twaalf maanden na dat tijdstip, geacht geschikt te zijn in de zin van
artikel 16, derde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een beoordeling van die geschiktheid.
2. Natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van deze wet het dagelijks beleid bepalen van het netwerkonderdeel bedoeld in
artikel 16, vierde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, worden tot twaalf maanden na dat tijdstip, geacht geschikt te zijn in de zin van dat artikel, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een beoordeling van die geschiktheid.
3. Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van deze wet binnen een accountantsorganisatie belast zijn met het interne toezicht worden tot achttien maanden na dat tijdstip, geacht geschikt te zijn in de zin van
artikel 16, vijfde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een beoordeling van die geschiktheid.
4. De
artikelen 14aen
25b van de Wet toezicht accountantsorganisatieszijn van toepassing op wettelijke controles met betrekking tot jaarrekeningen en bestuursverslagen die worden opgesteld over de boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017.