1. Indien de vaststelling, bedoeld in
artikel 9.7.2.4, tweede lid, leidt tot een verhoging van de jaarverplichting van de jaren onmiddellijk voor de inwerkingtreding van deze wet, schrijft het bestuur van de emissieautoriteit het aantal hernieuwbare brandstofeenheden conventioneel, dat overeenkomt met die verhoging, af van de rekening van de leverancier tot eindverbruik. Indien uit de vaststelling, bedoeld in
artikel 9.7.4.13, eerste lid, volgt dat de inboeker teveel hernieuwbare brandstofeenheden heeft ontvangen, wordt het aantal hernieuwbare brandstofeenheden conventioneel afgeschreven dat overeenkomt met het aantal hernieuwbare brandstofeenheden dat de inboeker teveel heeft ontvangen. Het bepaalde krachtens
artikel 9.7.2.5, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien uit de vaststelling, bedoeld in
artikel 9.7.2.4, tweede lid, of
artikel 9.7.4.13, eerste lid, die betrekking heeft op de jaren onmiddellijk voor de inwerkingtreding van deze wet, volgt dat de leverancier tot eindverbruik dan wel inboeker te weinig hernieuwbare brandstofeenheden heeft ontvangen, wordt het aantal hernieuwbare brandstofeenheden conventioneel dat die leverancier dan wel inboeker te weinig heeft ontvangen, bijgeschreven op de rekening van die leverancier tot eindverbruik dan wel inboeker. Het bestuur van de emissieautoriteit houdt hierbij rekening met
artikel 9.7.5.6.