1. Degene die een vitaminepreparaat verhandelt dat niet voldoet aan de eisen gesteld bij de
Warenwetregeling Vrijstelling vitaminepreparaten, maar dat in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij een tot douane-unie strekkend verdrag dat Nederland bindt, dan wel die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend verdrag dat Nederland bindt, rechtmatig in de handel is gebracht, kan bij de Minister voor Medische Zorg ontheffing aanvragen als bedoeld in
artikel 16, tweede lid, van de Warenwet.
2. De ontheffing wordt geweigerd indien er technisch of wetenschappelijk bewijs bestaat dat:
a. de weigering gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen; en
b. de weigering geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder gaat dan wat nodig is om dit doel te verwezenlijken.
3. De weigeringsgronden in het tweede lid moeten worden beoordeeld in het licht van de in artikel 5 van Richtlijn 2002/46/EGvan het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PbEG 2002, L 183) genoemde uitgangspunten.
4. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden, zodat voldaan wordt aan de eisen genoemd in het tweede en derde lid.