BWBR0039714
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 6
Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2017
In aanmerking nemen vermogen bij middelentoets algemene onderstand Geen andere versie om mee te vergelijken [Regeling vervallen per 08-02-2019] Bij de beoordeling of de persoon in zodanige omstandigheden verkeert dat hij niet de middelen kan verwerven om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien neemt de RCN-unit SZW mede het vermogen (bezittingen minus schulden) van belanghebbende in aanmerking. Indien de belanghebbende vermogen heeft, dient daarop in beginsel te worden ingeteerd, waarbij 1,5 keer de relevante onderstandnorm (basisbedrag vermeerderd met eventuele toeslagen) per tijdvak van twee weken wordt gehanteerd als maatstaf. Als vermogen wordt niet in aanmerking genomen: – spaargeld tot een bedrag van 10 x het voor de persoonlijke en leefsituatie van belanghebbende toepasselijke onderstandbedrag per tijdvak van twee weken (spaargeld opgebouwd tijdens eerdere onderstandperiode hierbij inbegrepen); – een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op aard en hoogte ervan, vanuit oogpunt van onderstandverlening verantwoord is; – bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, gebruikelijk zijn; – de economische waarde van de eigen woning die tevens hoofdverblijf is, tenzij de RCN-unit SZW gemotiveerd vaststelt dat de waarde van de eigen woning in alle redelijkheid wel bij het inkomen kan worden betrokken, bijvoorbeeld in geval van beschikbaarheid van andere geschikte woonruimte. Grondslag: Artikel 6 Besluit onderstand BES (individuele beoordeling in zodanige omstandigheden verkeren dat belanghebbende niet de middelen kan verwerven om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien) en artikel 18 Besluit onderstand BES (vaststelling over welke middelen belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken).