BWBR0039714
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 26
Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2017
Algemeen terugvorderingsbeleid Geen andere versie om mee te vergelijken [Regeling vervallen per 08-02-2019] Te veel of ten onrechte betaalde onderstand wordt in beginsel teruggevorderd. Er wordt in elk geval teruggevorderd indien de verleende onderstand evident gebaseerd is op onjuiste informatie van de belanghebbende, of als anderszins sprake is van verwijtbaarheid. Voorbeeldsituaties zijn het niet of niet tijdig hebben gemeld van overlijden, het verzwijgen van inkomsten, of het na uitnodiging door de RCN-unit SZW niet komen opdagen voor een herbeoordelingsgesprek. Er wordt ook teruggevorderd als het de belanghebbende zonder meer duidelijk had kunnen zijn dat hij geen recht had op onderstand of op het bedrag dat hij heeft ontvangen (bijvoorbeeld als er per abuis een dubbele betaling is gedaan). In alle andere situaties, waarin verwijtbaarheid ontbreekt, kan op basis van ‘hardheid’ van invordering worden afgezien. De beslissing hierover wordt op basis van individuele beoordeling door het hoofd van de RCN-unit SZW genomen. Wanneer er evident sprake van is dat de belanghebbende in redelijkheid niet hadden kunnen weten dat hij teveel ontving (‘te goede trouw’), dan kan het hoofd van de RCN-unit SZW op grond daarvan beslissen om de teveel of ten onrechte ontvangen onderstand niet terug te vorderen. De termijnen van terugvordering worden afgestemd op de betalingscapaciteit van belanghebbende. De algemene gedragslijn die de RCN-unit SZW hanteert is dat bij terugvordering minimaal 10% van het tweewekelijkse onderstandbedrag wordt teruggevorderd, ook bij uitstroom uit de onderstand. Het besluit om wel of niet in te vorderen wordt de belanghebbende schriftelijk meegedeeld, onder vermelding van de ingangsdatum van de herziening of beëindiging van de onderstand, het met de beslissing gemoeide bedrag, en de motivering. Grondslag: Artikel 33 Besluit onderstand BES (bevoegdheid terugvordering).