BWBR0039429
Geldig vanaf 2018-01-01
Artikel 4.20
Comptabiliteitswet 2016
1. Onze Minister van Financiën stelt voor het Rijk nadere regels over:
a. het inrichten van de rijksbegroting, bedoeld in artikel 2.1, en van de verantwoording van het Rijk, bedoeld in artikel 2.29;
b. het begrotings- en het verantwoordingsproces;
c. de begrotings- en de verantwoordingsinformatie;
d. het begrotingsbeheer en het financieel beheer;
e. de financiële administratie;
f. het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen namens de Staat.
2. Onze Minister van Financiën kan voor het Rijk regels stellen over:
a. de samenstelling, de organisatie en de doelen van een periodiek interdepartementaal overleg over financieel-economische aangelegenheden;
b. de samenstelling, de organisatie, de taken en de informatievoorziening van het adviesorgaan van een ministerie met betrekking tot audit- en bedrijfsvoeringsaangelegenheden;
c. het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op de roerende zaken van het Rijk en de administraties die ten behoeve van dat materieelbeheer worden bijgehouden;
d. het afstoten van overtollige roerende zaken van het Rijk;
e. het toepassen van financiële beleidsinstrumenten;
f. de voorstellen, voornemens en toezeggingen, bedoeld in artikel 3.1, aanhef, en het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid en de bedrijfsvoering;
g. de inrichting en het beheer van de agentschappen.
3. De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, en het tweede lid, onderdeel f, worden niet vastgesteld, dan nadat daarover op hoofdlijnen overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gevoerd.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
a. de taken en de organisatie van het dienstonderdeel van een ministerie dat belast is met financieel-economische aangelegenheden;
b. de taken, de organisatie en de kwaliteitsbeheersing van de Auditdienst Rijk.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan voor het Rijk regels stellen over:
a. het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op de onroerende zaken van het Rijk en de administraties die ten behoeve van dat materieelbeheer worden bijgehouden;
b. het privaatrechtelijk beheer van de onroerende zaken van het Rijk.
a. het inrichten van de rijksbegroting, bedoeld in artikel 2.1, en van de verantwoording van het Rijk, bedoeld in artikel 2.29;
b. het begrotings- en het verantwoordingsproces;
c. de begrotings- en de verantwoordingsinformatie;
d. het begrotingsbeheer en het financieel beheer;
e. de financiële administratie;
f. het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen namens de Staat.
2. Onze Minister van Financiën kan voor het Rijk regels stellen over:
a. de samenstelling, de organisatie en de doelen van een periodiek interdepartementaal overleg over financieel-economische aangelegenheden;
b. de samenstelling, de organisatie, de taken en de informatievoorziening van het adviesorgaan van een ministerie met betrekking tot audit- en bedrijfsvoeringsaangelegenheden;
c. het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op de roerende zaken van het Rijk en de administraties die ten behoeve van dat materieelbeheer worden bijgehouden;
d. het afstoten van overtollige roerende zaken van het Rijk;
e. het toepassen van financiële beleidsinstrumenten;
f. de voorstellen, voornemens en toezeggingen, bedoeld in artikel 3.1, aanhef, en het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid en de bedrijfsvoering;
g. de inrichting en het beheer van de agentschappen.
3. De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, en het tweede lid, onderdeel f, worden niet vastgesteld, dan nadat daarover op hoofdlijnen overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gevoerd.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
a. de taken en de organisatie van het dienstonderdeel van een ministerie dat belast is met financieel-economische aangelegenheden;
b. de taken, de organisatie en de kwaliteitsbeheersing van de Auditdienst Rijk.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan voor het Rijk regels stellen over:
a. het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op de onroerende zaken van het Rijk en de administraties die ten behoeve van dat materieelbeheer worden bijgehouden;
b. het privaatrechtelijk beheer van de onroerende zaken van het Rijk.