BWBR0039429
Geldig vanaf 2018-01-01
Artikel 4.1
Comptabiliteitswet 2016
1. Onze Ministers, ieder met betrekking tot het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt, zijn verantwoordelijk voor:
a. het ontwikkelen, vaststellen en uitvoeren van het beleid;
b. het toezicht houden op het uitvoeren van het beleid;
c. het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid;
d. de in de begroting opgenomen informatie;
e. de in het jaarverslag opgenomen informatie.
2. Onze Ministers die belast zijn met de leiding van een ministerie, ieder met betrekking tot de begroting waarvoor hij verantwoordelijk is, zijn verantwoordelijk voor:
a. de bedrijfsvoering van het ministerie;
b. het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van die bedrijfsvoering;
c. het begrotingsbeheer en de daartoe gevoerde administraties;
d. het financieel beheer en de daartoe gevoerde administraties;
e. het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op roerende zaken en de daartoe gevoerde administraties.
a. het ontwikkelen, vaststellen en uitvoeren van het beleid;
b. het toezicht houden op het uitvoeren van het beleid;
c. het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid;
d. de in de begroting opgenomen informatie;
e. de in het jaarverslag opgenomen informatie.
2. Onze Ministers die belast zijn met de leiding van een ministerie, ieder met betrekking tot de begroting waarvoor hij verantwoordelijk is, zijn verantwoordelijk voor:
a. de bedrijfsvoering van het ministerie;
b. het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en doelmatigheid van die bedrijfsvoering;
c. het begrotingsbeheer en de daartoe gevoerde administraties;
d. het financieel beheer en de daartoe gevoerde administraties;
e. het materieelbeheer voor zover dat betrekking heeft op roerende zaken en de daartoe gevoerde administraties.