1. Indien voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet beslag is gelegd op een periodieke vordering tot betaling waaraan een beslagvrije voet is verbonden, blijft de door de deurwaarder volgens het recht dat gold voor de datum van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel vastgestelde beslagvrije voet van toepassing, tot het moment dat de beslagvrije voet door de deurwaarder of, in geval van samenloop van beslagen als bedoeld in
artikel 478de coördinerende deurwaarder opnieuw wordt vastgesteld op grond van een van de in
artikel 475d, derde of vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingbedoelde situaties.
2.
Artikel 475c, tweede tot en met vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderinggeldt tot twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van deze wet niet voor een beslag dat is gelegd voor de datum van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel.