BWBR0038662
Geldig vanaf 2017-01-01
Artikel 3.28
Besluit natuurbescherming
1. Een ieder die een vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn of genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening fokt, voorziet de vogel van een gesloten pootring.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vogels van de soorten, genoemd in bijlage X bij de CITES-uitvoeringsverordening.
3. De gesloten pootringen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgereikt door Onze Minister.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de pootringen. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de kenmerken van de pootringen, waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar vogelsoort, en
b. de wijze waarop de gesloten pootringen dienen te worden aangevraagd.
5. In afwijking van het derde lid, kunnen bij ministeriële regeling rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties worden aangewezen die belast zijn met de taak om pootringen uit te geven.
6. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, kan worden bepaald dat:
a. de aangewezen organisaties een administratie bijhouden op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze, en
b. de aangewezen organisaties informatie verstrekken aan Onze Minister op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vogels van de soorten, genoemd in bijlage X bij de CITES-uitvoeringsverordening.
3. De gesloten pootringen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgereikt door Onze Minister.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de pootringen. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de kenmerken van de pootringen, waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar vogelsoort, en
b. de wijze waarop de gesloten pootringen dienen te worden aangevraagd.
5. In afwijking van het derde lid, kunnen bij ministeriële regeling rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties worden aangewezen die belast zijn met de taak om pootringen uit te geven.
6. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, kan worden bepaald dat:
a. de aangewezen organisaties een administratie bijhouden op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze, en
b. de aangewezen organisaties informatie verstrekken aan Onze Minister op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze.