BWBR0037885
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 16.98
Omgevingswet
1. De termijn voor het inbrengen van bedenkingen bedraagt zes weken.
2. De termijn begint met ingang van de dag na die waarop de onteigeningsbeschikking overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht</a>ter inzage is gelegd en hiervan kennis is gegeven.
3. <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/6:9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht</a>is van overeenkomstige toepassing.
4. De rechtbank laat na afloop van de termijn ingebrachte bedenkingen niet op grond daarvan buiten beschouwing als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de belanghebbende in verzuim is geweest.
2. De termijn begint met ingang van de dag na die waarop de onteigeningsbeschikking overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht</a>ter inzage is gelegd en hiervan kennis is gegeven.
3. <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/6:9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht</a>is van overeenkomstige toepassing.
4. De rechtbank laat na afloop van de termijn ingebrachte bedenkingen niet op grond daarvan buiten beschouwing als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de belanghebbende in verzuim is geweest.