BWBR0037885
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 16.13
Omgevingswet
1. Als gedeputeerde staten of Onze Minister die het aangaat het bevoegd gezag zijn voor de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, kunnen gedeputeerde staten respectievelijk Onze Minister die het aangaat, als dat vanwege de samenhang tussen de beslissingen op de beide aanvragen met het oog op het beschermen van het milieu geboden is, aan het bevoegd gezag voor de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit een instructie geven over de inhoud van die beslissing. Op de instructie zijn de artikelen 2.33en 2.34van overeenkomstige toepassing, waarbij kan worden afgeweken van regels als bedoeld in de artikelen 2.22en 2.23.
2. De instructie wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop het ontwerpbesluit voor de beslissing op de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing als het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is voor de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, met dien verstande dat gedeputeerde staten op verzoek van het college van burgemeester en wethouders met overeenkomstige toepassing van artikel 2.33een instructie kunnen geven aan het bevoegd gezag voor de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit.
2. De instructie wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop het ontwerpbesluit voor de beslissing op de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing als het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is voor de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, met dien verstande dat gedeputeerde staten op verzoek van het college van burgemeester en wethouders met overeenkomstige toepassing van artikel 2.33een instructie kunnen geven aan het bevoegd gezag voor de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit.