Artikel 1
Aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat wordt mandaat verleend tot:
a. het nemen van besluiten in het kader van het treffen van geluidwerende maatregelen als bedoeld in de artikelen 11.38, 11.39 en 11.64 van de Wet milieubeheer en de artikelen 112 en 114a van de Wet geluidhinder, voor geluidgevoelige objecten die geluidbelasting ondervinden vanuit hoofdspoorwegen; en
b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen.
a. het nemen van besluiten in het kader van het treffen van geluidwerende maatregelen als bedoeld in de artikelen 11.38, 11.39 en 11.64 van de Wet milieubeheer en de artikelen 112 en 114a van de Wet geluidhinder, voor geluidgevoelige objecten die geluidbelasting ondervinden vanuit hoofdspoorwegen; en
b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen.