BWBR0037552
Geldig vanaf 2017-01-01
Artikel 8.3
Wet natuurbescherming
1. Onze Minister kan een gebied als nationaal park aanwijzen op verzoek van gedeputeerde staten van de provincie of provincies waarin het gebied is gelegen.
2. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als nationaal park, indien:
a. het een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van ten minste 1.000 hectare betreft: 1°. waarin zich een of meer ecosystemen bevinden die niet wezenlijk zijn aangetast door menselijk gebruik,
2°. waarin zich dier- en plantensoorten, geomorfologische locaties en habitats bevinden die een bijzonder natuurwetenschappelijk, educatief en recreatief belang vertegenwoordigen, of
3°. dat een natuurlijk landschap van grote schoonheid omvat;
1°. waarin zich een of meer ecosystemen bevinden die niet wezenlijk zijn aangetast door menselijk gebruik,
2°. waarin zich dier- en plantensoorten, geomorfologische locaties en habitats bevinden die een bijzonder natuurwetenschappelijk, educatief en recreatief belang vertegenwoordigen, of
3°. dat een natuurlijk landschap van grote schoonheid omvat;
b. het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied is verzekerd;
c. het gebied is opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, met dien verstande dat aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden gesteld met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied; en
d. het gebied zich duidelijk onderscheidt van eerder aangewezen nationale parken.
3. Onze Minister kan, gehoord gedeputeerde staten van de betrokken provincie of provincies, een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wijzigen of intrekken.
2. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als nationaal park, indien:
a. het een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van ten minste 1.000 hectare betreft: 1°. waarin zich een of meer ecosystemen bevinden die niet wezenlijk zijn aangetast door menselijk gebruik,
2°. waarin zich dier- en plantensoorten, geomorfologische locaties en habitats bevinden die een bijzonder natuurwetenschappelijk, educatief en recreatief belang vertegenwoordigen, of
3°. dat een natuurlijk landschap van grote schoonheid omvat;
1°. waarin zich een of meer ecosystemen bevinden die niet wezenlijk zijn aangetast door menselijk gebruik,
2°. waarin zich dier- en plantensoorten, geomorfologische locaties en habitats bevinden die een bijzonder natuurwetenschappelijk, educatief en recreatief belang vertegenwoordigen, of
3°. dat een natuurlijk landschap van grote schoonheid omvat;
b. het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied is verzekerd;
c. het gebied is opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, met dien verstande dat aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden gesteld met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied; en
d. het gebied zich duidelijk onderscheidt van eerder aangewezen nationale parken.
3. Onze Minister kan, gehoord gedeputeerde staten van de betrokken provincie of provincies, een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wijzigen of intrekken.