BWBR0037552
Geldig vanaf 2017-01-01
Artikel 3.28a
Wet natuurbescherming
1. De jachtakte wordt, onverminderd het bepaalde in de artikel 3.28, slechts verleend indien:
a. de aanvraag door de aanvrager in persoon is gedaan, onder overlegging van een geldig identiteitsbewijs;
b. de aanvrager heeft meegewerkt aan een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie op grond van artikel 6a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wapens en munitie aangewezen onderzoek;
c. de aanvrager ten minste drie referenten heeft opgegeven, onder verstrekking van hun contactgegevens, bij wie navraag kan worden gedaan naar de aanvrager, en
d. de aanvrager in persoon aanwezig is geweest bij de controle door de korpschef van de op het adres van de aanvrager getroffen voorzieningen voor de opslag van wapens en munitie.
2. Het eerste lid, met uitzondering van onderdeel a, is niet van toepassing op de aanvrager die reeds in het bezit is van een jachtakte waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken, tenzij de toepassing van de onderdelen b, c of d, naar het oordeel van de korpschef, noodzakelijk is voor een deugdelijke beoordeling van het bepaalde in artikel 3.28, derde lid, onderdeel a.
3. De jachtakte wordt aan degene aan wie zij wordt verleend, in persoon uitgereikt.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op de aanvrager die een aanvraag doet voor een jachtakte als bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid.
a. de aanvraag door de aanvrager in persoon is gedaan, onder overlegging van een geldig identiteitsbewijs;
b. de aanvrager heeft meegewerkt aan een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie op grond van artikel 6a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wapens en munitie aangewezen onderzoek;
c. de aanvrager ten minste drie referenten heeft opgegeven, onder verstrekking van hun contactgegevens, bij wie navraag kan worden gedaan naar de aanvrager, en
d. de aanvrager in persoon aanwezig is geweest bij de controle door de korpschef van de op het adres van de aanvrager getroffen voorzieningen voor de opslag van wapens en munitie.
2. Het eerste lid, met uitzondering van onderdeel a, is niet van toepassing op de aanvrager die reeds in het bezit is van een jachtakte waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken, tenzij de toepassing van de onderdelen b, c of d, naar het oordeel van de korpschef, noodzakelijk is voor een deugdelijke beoordeling van het bepaalde in artikel 3.28, derde lid, onderdeel a.
3. De jachtakte wordt aan degene aan wie zij wordt verleend, in persoon uitgereikt.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op de aanvrager die een aanvraag doet voor een jachtakte als bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid.