1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
WNTten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister voor Wonen en Rijksdienst ingevolge de WNT is aangewezen als de minister wie het aangaat, met uitzondering de krachtens
artikel 19, eerste lid, van de Woningwettoegelaten rechtspersonen.
2. Aan de programmamanager die leiding geeft aan de Eenheid toezicht WNT wordt mandaat en machtiging verleend voor het vorderen van opgaven en inlichtingen op grond van
artikel 5.3 van de WNTalsmede het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met aan de minister toekomende bevoegdheid tot handhaving, bedoeld in de
artikelen 5.4,
5.5en
5.6 van de WNTten aanzien van de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen.
3. Het op grond van het tweede lid verleende mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid.
4. Aan de programmamanager die leiding geeft aan de Eenheid toezicht WNT wordt volmacht verleend voor het verrichten van rechtshandelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen en van gemaakte kosten voor bestuursdwang als bedoeld in
artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze verband houden met de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid.
5.
Artikel 4 van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNTis van overeenkomstige toepassing ten aanzien van besluiten bedoeld in het tweede lid.