1. Ter uitvoering van het plan bedoeld in artikel 2worden de bevoegdheden van de Minister van Infrastructuur en Milieu, voortvloeiend uit de
artikelen 7,
8,
10 tot en met 13,
16en
18, eerste lid, van de wet, gemandateerd aan de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het Regionaal Beheersteam Noordzeerampen.
2. Aan de functionarissen, genoemd in het eerste lid, wordt tevens volmacht en machtiging verleend ten aanzien van de bevoegdheden in de wetsartikelen, genoemd in het eerste lid, alsmede ten aanzien van de bevoegdheden, genoemd in de
artikelen 19 en 21 van de wet.