Artikel 1
1. Aan de korpschef van het landelijk politiekorps wordt in verband met de verstrekking van een authentiek gegeven uit de basisregistratie, in het geval van gerede twijfel over de juistheid van dat gegeven, toestemming gegeven politiegegevens te verstrekken aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente, bedoeld in artikel 1.1., onderdeel h, van de Wet basisregistratie personenin het kader van de terugmeldverplichting, bedoeld in artikel 2.34 van de Wet basisregistratie personen, ten behoeve van de bijhouding van de basisregistratie personen door het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente.
2. De in het eerste lid bedoelde politiegegevens betreffen uitsluitend politiegegevens die worden verwerkt ingevolge de artikelen 8, 9en 13, eerste lid, van de Wet politiegegevensen betrekking hebben op geconstateerde afwijkingen tussen enerzijds de uit de basisregistratie verstrekte gegevens of waarvan de verstrekking achterwege is gebleven, en anderszijds politiegegevens, alsmede de politiegegevens waaruit de grond van de in het eerste lid bedoelde gerede twijfel blijkt.
2. De in het eerste lid bedoelde politiegegevens betreffen uitsluitend politiegegevens die worden verwerkt ingevolge de artikelen 8, 9en 13, eerste lid, van de Wet politiegegevensen betrekking hebben op geconstateerde afwijkingen tussen enerzijds de uit de basisregistratie verstrekte gegevens of waarvan de verstrekking achterwege is gebleven, en anderszijds politiegegevens, alsmede de politiegegevens waaruit de grond van de in het eerste lid bedoelde gerede twijfel blijkt.