Artikel 1
1. Van artikel 2:96 van de Wet op het financieel toezichtzijn vrijgesteld beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een andere lidstaat die beschikken over een door de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat verleende vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen op grond waarvan het is toegestaan de in artikel 6, vierde lid, van die richtlijn bedoelde activiteiten te verrichten of diensten te verlenen.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is slechts van toepassing voor zover:
a. een beheerder van een beleggingsinstelling in Nederland activiteiten verricht of diensten verleent als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen;
b. de Autoriteit Financiële Markten overeenkomstig de procedure van artikel 33 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen in kennis is gesteld van het voornemen van de in onderdeel a bedoelde beheerder van een beleggingsinstelling de in dat onderdeel genoemde activiteiten of diensten in Nederland te verrichten of te verlenen.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is slechts van toepassing voor zover:
a. een beheerder van een beleggingsinstelling in Nederland activiteiten verricht of diensten verleent als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen;
b. de Autoriteit Financiële Markten overeenkomstig de procedure van artikel 33 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen in kennis is gesteld van het voornemen van de in onderdeel a bedoelde beheerder van een beleggingsinstelling de in dat onderdeel genoemde activiteiten of diensten in Nederland te verrichten of te verlenen.