Gronden voor afwijzing vergoedingsverzoek Geen andere versie om mee te vergelijken 1 Het Participatiefonds wijst een vergoedingsverzoek in ieder geval af als: a. de werkgever het dienstverband beëindigt of het tijdelijk dienstverband niet voortzet op grond van een andere beëindigingsgrond dan genoemd in dit reglement; b. de werkgever zich, in strijd met artikel 60 in samenhang gelezen met artikel 62 van de WPO of in strijd met artikel 63 in samenhang gelezen met artikel 65 van de WEC , niet heeft onderworpen aan een uitspraak van de Commissie van Beroep; c. sprake is van een dienstverband in het kader van vervanging als bedoeld in paragraaf 1, onder 35, waaraan een regulier dienstverband is voorafgegaan en de werkgever niet heeft voldaan aan het verzoek van het Participatiefonds om binnen acht weken alsnog een vergoedingsverzoek te doen in het kader van de beëindiging van het reguliere dienstverband; d. het vergoedingsverzoek van de werkgever onredelijk is. e. het beëindigen van een dienstverband of het niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband in de risicosfeer van de werkgever valt. f. De werkgever het dienstverband niet herstelt terwijl hij daartoe op grond van artikel 7:682, eerste lid, onder b dan wel onder c, BW , is veroordeeld. g. De kantonrechter de werknemer een billijke vergoeding heeft toegekend op de voet van artikel 7:682, eerste lid onder b, BW dan wel artikel 7:682, eerste lid, onder c, nu in die gevallen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever 2 Als het Participatiefonds de beschikking als bedoeld in het eerste lid neemt, deelt het de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de WPO of artikel 132, tweede lid, van de WEC , niet ten laste van het Participatiefonds komen.