1. De wettelijke taken en de aanspraak op bekostiging van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in
artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijszoals luidend op 31 juli 2015, vervallen met ingang van de datum waarop artikel I, met uitzondering van onderdeel B, en de artikelen II, IIIen IVvan deze wet in werking treden.
2. Indien op de dag waarop artikel I, met uitzondering van onderdeel B, en de artikelen II, IIIen IVin werking treden nog geen rechtspersoon als bedoeld in artikel I, onderdeel B, is aangewezen, blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum
a. de wettelijke taken en de aanspraak op bekostiging van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven van kracht, en
b. de artikelen 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.4.1, 2.4.2, 2.4.3, 2.5.10, 4.3.1, 4.3.2, 4.3.3, 6.1.3, tweede lid, 7.2.4, tweede en derde lid, 7.2.5, 7.2.5a, 7.2.6, eerste lid, 7.2.9, tweede lid, 7.2.10, 11.1, eerste lid, 12.2.2, tweede lid, en 12.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de artikelen 3, tweede lid, 15l, 15n, eerste en tweede lid, en 24f, tiende lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, de artikelen 10b3, eerste lid, 10b4 en 10b5 van de Wet voortgezet onderwijs en punt 18 van onderdeel «Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap» van bijlage 1 bij de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semi-publieke sector, zoals luidend op 31 juli 2015 van toepassing.
3. Ten aanzien van bedragen waarop de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven voorafgaand aan de in het eerste of tweede lid bedoelde datum aanspraak hebben, maar die nog niet zijn vastgesteld of uitbetaald, blijven de bij of krachtens de
Wet educatie en beroepsonderwijsof de
Wet op het voortgezet onderwijsvastgestelde voorschriften zoals luidend op de dag voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde datum van toepassing.