BWBR0035917
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 11.1.3
Wet langdurige zorg
1. Tenzij hij op dat moment een jeugdige is als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0034925/artikel/1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.1, subonderdelen 1° of 2°, van de Jeugdwet</a>, wordt de verzekerde die onmiddellijk voorafgaande aan de intrekking van de <a href="/wet/BWBR0002614" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</a>zorg behorende tot een zorgzwaartepakket B GGZ ontvangt en op eerder bedoeld moment met een dergelijk zorgzwaartepakket in een instelling verblijft dan wel op dat moment niet meer in een instelling verblijft maar uiterlijk negentig dagen na zijn ontslag wederom op deze zorg aangewezen raakt, voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een verzekerde als bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid. De geldigheidsduur van het indicatiebesluit van de verzekerde, bedoeld in de vorige volzin, wordt ambtshalve op drie jaar gesteld, te rekenen vanaf de datum waarop de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt ingetrokken.
2. Tenzij hij op dat moment een jeugdige is als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0034925/artikel/1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.1, subonderdelen 1° of 2°, van de Jeugdwet</a>, wordt de verzekerde die onmiddellijk voorafgaande aan de intrekking van de <a href="/wet/BWBR0002614" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</a>op grond van zijn indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket B GGZ en op eerder bedoeld moment op grond van dat indicatiebesluit een persoonsgebonden budget ontving, voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een verzekerde als bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, en kan hij in afwijking van artikel 3.3.4in plaats van voor verblijf kiezen voor voortzetting van zijn persoonsgebonden budget. In dat geval zijn de bij en krachtens artikel 3.3.3gestelde regels alsmede de tweede volzin van het eerste lid van toepassing.
2. Tenzij hij op dat moment een jeugdige is als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0034925/artikel/1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.1, subonderdelen 1° of 2°, van de Jeugdwet</a>, wordt de verzekerde die onmiddellijk voorafgaande aan de intrekking van de <a href="/wet/BWBR0002614" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</a>op grond van zijn indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket B GGZ en op eerder bedoeld moment op grond van dat indicatiebesluit een persoonsgebonden budget ontving, voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een verzekerde als bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, en kan hij in afwijking van artikel 3.3.4in plaats van voor verblijf kiezen voor voortzetting van zijn persoonsgebonden budget. In dat geval zijn de bij en krachtens artikel 3.3.3gestelde regels alsmede de tweede volzin van het eerste lid van toepassing.