1. Degene met zetel in Nederland op wie onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S, het
Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezichtniet van toepassing was op grond van
artikel 3:2 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat artikel luidde tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S, behoeft geen vergunning als bedoeld in
artikel 2:11, eerste lid, van de Wet op het financieel toezichten op hem is het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezicht niet van toepassing.
2. Degene, bedoeld in het eerste lid, toont binnen zes maanden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S, aan dat wordt voldaan aan
artikel 3:2 van de Wet op het financieel toezicht.
3. Indien degene, bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan het tweede lid, is het hem met ingang van de dag, volgende op een periode van zes maanden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S, verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank op grond van
artikel 2:11, eerste lid, van de Wet op het financieel toezichtverleende vergunning het bedrijf van bank uit te oefenen en is op hem met ingang van dezelfde dag het
Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezichtvan toepassing.