Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Remigratiewet;
b. SVB: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. basisvoorziening: een of meer van de voorzieningen, bedoeld in artikel 3 van de wet zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (heroverweging Remigratiewet, Stb. 2013, 331);
d. remigratie-uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet;
e. remigratievoorzieningen: de voorzieningen, bedoeld in artikel 4 van de wet;
f. wezenuitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet;
g. remigrant: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de wet, die aanspraak heeft op een basisvoorziening of remigratievoorzieningen;
h. partner: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, dan wel artikel 1, tweede lid, van de wet;
i. gewezen partner: degene die aanspraak heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, van de wet;
j. kind: het kind, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, dan wel artikel 1, derde lid, van de wet;
k. wees: het kind dat aanspraak heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet.
a. wet: de Remigratiewet;
b. SVB: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. basisvoorziening: een of meer van de voorzieningen, bedoeld in artikel 3 van de wet zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (heroverweging Remigratiewet, Stb. 2013, 331);
d. remigratie-uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet;
e. remigratievoorzieningen: de voorzieningen, bedoeld in artikel 4 van de wet;
f. wezenuitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet;
g. remigrant: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de wet, die aanspraak heeft op een basisvoorziening of remigratievoorzieningen;
h. partner: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, dan wel artikel 1, tweede lid, van de wet;
i. gewezen partner: degene die aanspraak heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, van de wet;
j. kind: het kind, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, dan wel artikel 1, derde lid, van de wet;
k. wees: het kind dat aanspraak heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet.