BWBR0035217
Geldig vanaf 2016-10-11
Artikel 6.7
Besluit houders van dieren
1. Een aanmelding bij Onze Minister die is verricht op grond van <a href="/wet/BWBR0010200/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3, eerste lid van het Honden- en kattenbesluit 1999</a>, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als een aanmelding als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, voor activiteiten met honden of katten, voor zover die activiteiten bij die eerdere aanmelding zijn gemeld.
2. Artikel 3.8, vierde lid, is gedurende een periode van vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op een inrichting, indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6bedoelde activiteiten op die inrichting worden verricht:
a. desgevraagd kan aantonen dat de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999, en
b. binnen vier maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, de inrichting bij Onze Minister aanmeldt.
2. Artikel 3.8, vierde lid, is gedurende een periode van vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op een inrichting, indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6bedoelde activiteiten op die inrichting worden verricht:
a. desgevraagd kan aantonen dat de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999, en
b. binnen vier maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, de inrichting bij Onze Minister aanmeldt.