BWBR0035217
Geldig vanaf 2016-10-11
Artikel 1.13
Besluit houders van dieren
1. Een dier wordt gedood door middel van een methode die waarborgt dat de dood onmiddellijk of na bedwelming, maar vóórdat de bewusteloosheid is geweken, intreedt.
2. In afwijking van het eerste lid behoeft een dier niet te worden bedwelmd indien een dier moet worden gedood:
a. ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier of
b. ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de methode, bedoeld in het eerste lid.
2. In afwijking van het eerste lid behoeft een dier niet te worden bedwelmd indien een dier moet worden gedood:
a. ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier of
b. ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de methode, bedoeld in het eerste lid.