1. Ten aanzien van vergunningen, bedoeld in
artikel 8 van de Wet bescherming Antarctica, die van kracht zijn onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van:
a. de artikelen I, onderdeel A, onder 3, onderdeel D, onder 2, onderdeel I en onderdeel H, onder 1, 2, 3 en 4 van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen van toepassing.
b. de artikelen I, onderdeel C, onderdeel E, onderdeel F, onder 1, onderdeel G, onder 1 en onderdeel H, onder 5 en III, onder 2 van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen van toepassing.
c. de artikelen I, onderdeel B, onderdeel F, onder 2, onderdeel G, onder 2 en onderdeel J en III, onder 3 van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen van toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, stelt de organisator, tenzij de activiteit reeds is aangevangen, alsnog financiële zekerheid als bedoeld in
artikel 3a, vierde lid van de Wet bescherming Antarctica.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, stelt de organisator, tenzij de activiteit reeds is aangevangen:
a. alsnog financiële zekerheid als bedoeld in artikel 25f, eerste lid van de Wet bescherming Antarctica;
b. een rampenplan op als bedoeld in artikel 7a van de Wet bescherming Antarctica.