BWBR0034925
Geldig vanaf 2019-05-22
Artikel 1a.3
Jeugdwet
1. Bij het voeren van een telefonisch of elektronisch gesprek als bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, worden het IP-adres of telefoonnummer van de jeugdige verwerkt, voor zover deze noodzakelijk zijn om:
a. het contact tot stand te brengen tussen de jeugdige en degene die met de jeugdige dit gesprek voert;
b. de bereikbaarheid te verbeteren.
2. Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, worden verwerkt tijdens een elektronisch gesprek, voor zover deze uit eigen beweging door de jeugdige worden meegedeeld.
3. De organisatie die de taken, bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, uitvoert is slechts bevoegd informatie uit een elektronisch gesprek, waarin mogelijk persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, zijn opgenomen verder te verwerken als daarop pseudonimisering als bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van de Algemene Verordening gegevensbescherming is toegepast en vervolgens onafgebroken wordt gecontinueerd en voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze taken.
4. Bij het in behandeling nemen van klachten kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard van de jeugdige die een telefonisch of elektronisch gesprek heeft gevoerd als bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, worden verwerkt.
a. het contact tot stand te brengen tussen de jeugdige en degene die met de jeugdige dit gesprek voert;
b. de bereikbaarheid te verbeteren.
2. Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, worden verwerkt tijdens een elektronisch gesprek, voor zover deze uit eigen beweging door de jeugdige worden meegedeeld.
3. De organisatie die de taken, bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, uitvoert is slechts bevoegd informatie uit een elektronisch gesprek, waarin mogelijk persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, zijn opgenomen verder te verwerken als daarop pseudonimisering als bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van de Algemene Verordening gegevensbescherming is toegepast en vervolgens onafgebroken wordt gecontinueerd en voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze taken.
4. Bij het in behandeling nemen van klachten kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard van de jeugdige die een telefonisch of elektronisch gesprek heeft gevoerd als bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, worden verwerkt.