BWBR0034925
Geldig vanaf 2019-05-22
Artikel 12.3
Jeugdwet
1. Indien een gecertificeerde instelling geheel of ten dele is gevormd uit een stichting als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>, gaan de verplichtingen die ingevolge de <a href="/wet/BWBR0007376" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Archiefwet 1995</a>en de <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/55" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 55</a>en <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/56" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">56 van de Wet op de jeugdzorg</a>op die stichting rusten over op de gecertificeerde instelling, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Onder stichting wordt in dit artikel mede verstaan een gemandateerde instelling met een landelijk bereik.
2. Indien een of meer gecertificeerde instellingen zijn gevormd uit een of meer stichtingen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>, treffen zij gezamenlijk een regeling ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen onderscheidenlijk een voorziening als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007376/artikel/4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995</a>.
3. Een regeling of voorziening als in het tweede lid bedoeld strekt ertoe dat alle verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden belegd.
4. Indien uit een stichting geen gecertificeerde instelling wordt gevormd, treft de stichting een regeling onderscheidenlijk voorziening met een of meer gecertificeerde instellingen of gemeenten, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Indien een taak of bevoegdheid als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5 tot en met 11 van de Wet op de jeugdzorg</a>, die werd uitgevoerd door een stichting als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, van die wet</a>, krachtens deze wet bij het college berust, gaan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een dossier over op dat college voor zover dat college dat dossier van de gecertificeerde instelling heeft ontvangen ten behoeve van de toeleiding naar, advisering over, bepaling van, het inzetten van of de bekostiging van een voorziening op het gebied van jeugdhulp.
6. In afwijking van het vijfde lid gaan dossiers gevormd bij de uitvoering van de taken, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 11, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>, en de in het eerste lid bedoelde verplichtingen met betrekking tot die dossiers, over op Veilig Thuis.
7. Overdracht van bescheiden ingevolge dit artikel geschiedt in goede, geordende en toegankelijke staat. Hiervan maakt de overdragende partij een verklaring van vervreemding op.
2. Indien een of meer gecertificeerde instellingen zijn gevormd uit een of meer stichtingen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>, treffen zij gezamenlijk een regeling ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen onderscheidenlijk een voorziening als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007376/artikel/4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995</a>.
3. Een regeling of voorziening als in het tweede lid bedoeld strekt ertoe dat alle verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden belegd.
4. Indien uit een stichting geen gecertificeerde instelling wordt gevormd, treft de stichting een regeling onderscheidenlijk voorziening met een of meer gecertificeerde instellingen of gemeenten, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Indien een taak of bevoegdheid als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5 tot en met 11 van de Wet op de jeugdzorg</a>, die werd uitgevoerd door een stichting als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, van die wet</a>, krachtens deze wet bij het college berust, gaan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een dossier over op dat college voor zover dat college dat dossier van de gecertificeerde instelling heeft ontvangen ten behoeve van de toeleiding naar, advisering over, bepaling van, het inzetten van of de bekostiging van een voorziening op het gebied van jeugdhulp.
6. In afwijking van het vijfde lid gaan dossiers gevormd bij de uitvoering van de taken, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 11, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg</a>, en de in het eerste lid bedoelde verplichtingen met betrekking tot die dossiers, over op Veilig Thuis.
7. Overdracht van bescheiden ingevolge dit artikel geschiedt in goede, geordende en toegankelijke staat. Hiervan maakt de overdragende partij een verklaring van vervreemding op.