1. Het register van aanduidingen van het stembureau, bedoeld in
artikel 18 van de Waterschapswet, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel B, van deze wet wordt binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L, door de voorzitter van het stembureau overgedragen aan het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur van een waterschap, behorende bij de categorie, bedoeld in
artikel 12, tweede lid, onderdeel a, van de Waterschapswet.
2. De instelling van het stembureau, bedoeld in
artikel 18 van de Waterschapswet, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel C, van deze wet, en de benoeming van de leden van dat stembureau worden gelijkgesteld aan de instelling van het stembureau en de benoeming van de leden van het hoofdstembureau, bedoeld in
artikel E 6a van de Kieswet.
3. Bij de toepassing van de
artikelen H 4,
H 13aen
I 14 van de Kieswetbij de verkiezing van de leden in het algemeen bestuur van het waterschap, behorende bij de categorie, bedoeld in het eerste lid, gehouden na de inwerkingtreding van dit lid, wordt in die artikelen onder «de laatstgehouden verkiezing» verstaan: de laatste verkiezing van de leden van de categorie ingezetenen in het algemeen bestuur van het waterschap die krachtens de
Waterschapswetis gehouden.
4. Op de zittingsduur van een zittend algemeen bestuur van een waterschap dat is ingesteld in de periode tussen 1 januari 2013 en voor het tijdstip waarop artikel II, onderdeel G, in werking treedt, blijft
artikel 29, derde en vierde lid, van de Waterschapswetvan toepassing zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel G, van deze wet.