1. In geval van niet-herbenoeming dan wel tussentijds ontslag, anders dan op eigen verzoek en anders dan ten gevolge van eigen schuld of toedoen, heeft een lid van de Kamer in aanvulling op de reguliere aanspraak op een uitkering krachtens de
Werkloosheidswetaanspraak op een bovenwettelijke uitkering.
2. De hoogte en duur van deze uitkering worden vastgesteld overeenkomstig de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn, met dien verstande dat als diensttijd voor de vaststelling van hoogte en duur van genoemde uitkering tevens geldt:
a. de tijd dat betrokkene als lid van de Kamer was benoemd;
b. de tijd dat betrokkene direct voorafgaand aan zijn benoeming in de Kamer van Koophandel op basis van een arbeidsovereenkomst of aanstelling werkzaam is geweest bij de Vereniging Kamer van Koophandel Nederland, een Kamer van Koophandel of de Stichting Syntens.
3. Als berekeningsbasis voor de hoogte van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, geldt het salarisbedrag als overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn, exclusief bijzondere toeslagen, maar inclusief de toelage, bedoeld in artikel 2, vierde lid.
4. Betrokkene heeft naast het bepaalde in het eerste lid tevens recht op een ontslagvergoeding van € 75.000,–.