1. Een afwikkelonderneming met zetel in Nederland die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel V, haar bedrijf uitoefent jegens betaaldienstverleners met wie zij niet in een groep is verbonden en die in het jaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel V, meer dan 120 miljoen girale betalingstransacties heeft afgewikkeld, beschikt vanaf dat tijdstip van rechtswege over een vergunning als bedoeld in
artikel 2:3.0b, eerste lid, van de wet op het financieel toezicht, met dien verstande dat de vergunning uitsluitend betrekking heeft op de werkzaamheden die zij op dat tijdstip verricht.
2. De afwikkelonderneming toont binnen drie maanden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel V, van deze wet aan dat zal worden voldaan aan de artikelen, genoemd in
artikel 2:3.0d, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
3. De afwikkelonderneming vermeldt met betrekking tot welke werkzaamheden, onderscheiden in de
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezichtopgenomen definitie van afwikkelonderneming, zij beoogt aan te tonen dat zij voldoet aan de in het tweede lid bedoelde artikelen.
4. Het aantonen geschiedt door middel van een opgave van de gegevens, bedoeld in
artikel 3:2.0d, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht.
5. Indien de afwikkelonderneming niet voldoet aan het tweede lid, kan de Nederlandsche Bank de vergunning intrekken.