1. De experimenten vinden voor zover mogelijk plaats overeenkomstig hetgeen bij en krachtens de
Kieswetis bepaald.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de experimenten en de daarbij te gebruiken voorzieningen. Deze regels kunnen op het naastlagere niveau afwijken van het bepaalde bij en krachtens de volgende onderdelen:
a. de artikelen E 4 tot en met E 10 en E 11, derde, vierde en vijfde lid, van de Kieswet zodat bij een experiment gemeentelijke stembureaus kunnen worden ingesteld en de taken van hoofdstembureaus kunnen worden toebedeeld aan de gemeentelijke stembureaus en het centrale stembureau;
b. de artikelen J 1, vierde lid, J 4a, derde lid, en J 35, de hoofdstukken N en O, en de artikelen P 1, P 21, derde lid, en P 22, van de Kieswet met betrekking tot de stemopneming en de taken en werkwijze van het stembureau, het briefstembureau, de burgemeester, het hoofdstembureau en centraal stembureau bij de vaststelling van de verkiezingsuitslag;
c. de artikelen Y 2, Y 22 tot en met Y 23, Y 24 en Y 39, van de Kieswet zodat een experiment ook tijdens de verkiezing van de Nederlandse leden van het Europees Parlement kan worden gehouden.
3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4. Een voorziening als bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt slechts aangewezen indien deze ten minste aan de volgende vereisten voldoet:
a. het geheime karakter van de stemming is voldoende gewaarborgd; en
b. de transparantie, controleerbaarheid en betrouwbaarheid van de verkiezing is voldoende gewaarborgd.