De commissie heeft tot taak:
a. Het onderzoeken wat de positie van huishoudelijk personeel in Nederland op dit moment is;
b. Het verzamelen van informatie over voorbeelden van regulering in andere landen, de daaraan verbonden voor- en nadelen en deze te betrekken bij de uit te werken varianten, bedoeld in onderdeel c;
c. Indien de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in onderdeel a, daar aanleiding toe geven, verschillende varianten of modellen te ontwikkelen die tot een verbetering van de positie van huishoudelijk werkers leiden, waarbij: – de varianten worden geoptimaliseerd op minimale budgettaire en minimale negatieve effecten voor de arbeidsmarkt en de zorg,
– in elk geval één variant wordt opgesteld die in lijn is met ratificatie van het ILO-verdrag 189,
– naast een variant die in lijn is met ratificatie van het ILO-verdrag, ook een budgettair neutrale variant wordt opgesteld, die de positie van huishoudelijke personeel verbetert, maar niet noodzakelijkerwijs geheel in lijn is met ratificatie, en
– relevante partijen worden geraadpleegd omtrent het draagvlak van mogelijke beleidsvarianten in de samenleving;
– de varianten worden geoptimaliseerd op minimale budgettaire en minimale negatieve effecten voor de arbeidsmarkt en de zorg,
– in elk geval één variant wordt opgesteld die in lijn is met ratificatie van het ILO-verdrag 189,
– naast een variant die in lijn is met ratificatie van het ILO-verdrag, ook een budgettair neutrale variant wordt opgesteld, die de positie van huishoudelijke personeel verbetert, maar niet noodzakelijkerwijs geheel in lijn is met ratificatie, en
– relevante partijen worden geraadpleegd omtrent het draagvlak van mogelijke beleidsvarianten in de samenleving;
d. Bij de onder c genoemde varianten te rapporteren over: – de huidige en te verwachten toekomstige omvang van de werkgelegenheid in huishoudelijke diensten,
– de gevolgen voor de loonkosten van huishoudelijk werk en de fiscale en anderszins te verwachten opbrengsten,
– de werkgeversverplichtingen voor particulieren en anderen indien de dienstverlening op een andere wijze zou worden georganiseerd;
– de arbeidskosten voor de zorg,
– de gevolgen voor de sociale zekerheid,
– de uitvoerbaarheid en administratieve lasten voor zowel particulieren als overheidsinstanties, waaronder de Belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
– de budgettaire effecten,
– de effecten voor de arbeidsmarkt waaronder de mogelijke toename van reguliere werkgelegenheid in het lager geschoolde deel van de arbeidsmarkt en het mogelijke risico van de toename van zwart werk;
– de huidige en te verwachten toekomstige omvang van de werkgelegenheid in huishoudelijke diensten,
– de gevolgen voor de loonkosten van huishoudelijk werk en de fiscale en anderszins te verwachten opbrengsten,
– de werkgeversverplichtingen voor particulieren en anderen indien de dienstverlening op een andere wijze zou worden georganiseerd;
– de arbeidskosten voor de zorg,
– de gevolgen voor de sociale zekerheid,
– de uitvoerbaarheid en administratieve lasten voor zowel particulieren als overheidsinstanties, waaronder de Belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
– de budgettaire effecten,
– de effecten voor de arbeidsmarkt waaronder de mogelijke toename van reguliere werkgelegenheid in het lager geschoolde deel van de arbeidsmarkt en het mogelijke risico van de toename van zwart werk;
e. De bevindingen door het Centraal Planbureau (CPB) te laten doorrekenen op budgettaire effecten en te laten beoordelen op arbeidsmarkteffecten, waarbij deze CPB-notitie onderdeel uitmaakt van het verslag van de commissie.