1. Een omgevingsvergunning op grond van
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtdie van kracht en onherroepelijk was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel B, wordt, voor zover die omgevingsvergunning een activiteit betreft die in artikel VI, onderdeel B, is aangewezen, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van die wet.
2. Onverminderd
artikel 6.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheerblijft op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtvoor zover die aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit die in artikel VI, onderdeel B, is aangewezen, het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel B, indien:
a. die aanvraag is ingediend voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel B, en
b. op die aanvraag vóór het tijdstip, bedoeld in onderdeel a, nog niet onherroepelijk is beslist.
3. In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt een omgevingsvergunning op grond van
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtgelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van die wet op het tijdstip waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. De voorschriften die aan die omgevingsvergunning zijn verbonden, worden overeenkomstig
artikel 6.1, eerste of vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheeraangemerkt als maatwerkvoorschriften.