1. Uiterlijk op de eerste werkdag in oktober van het jaar t+1 stelt het college de vergoeding voor de kosten van verstrekkingen en vergoedingen voorlopig vast.
2. Voor de toepassing van het eerste lid gaat het college voor de kosten van verstrekkingen en vergoedingen ingevolge de
AWBZ voor de zorgverzekeraar uit van de som van:
a. het saldo van de kosten van rechtstreeks met het AFBZ te verrekenen kosten en opbrengsten van zorgaanspraken die de zorgverzekeraar aan het college voor het jaar t opgeeft;
b. de door de zorgverzekeraar over het jaar t opgegeven rentebaten.
3. Voor de toepassing van het eerste lid gaat het college voor de kosten van verstrekkingen en vergoedingen ingevolge de
AWBZ voor de verbindingskantoren uit van de som van:
a. het saldo van de kosten van rechtstreeks met het AFBZ te verrekenen kosten en opbrengsten van zorgaanspraken die het verbindingskantoor aan het college voor het jaar t opgeeft;
b. de opbrengsten van eigen bijdragen in het kader van de bijzondere ziektekostenverzekering.
4. Het college keert de voorlopig vastgestelde vergoeding voor de kosten van verstrekkingen en vergoedingen, bedoeld in
artikel 4.2 Besluit Wfsv, uit onder verrekening van de in jaar t verstrekte voorschotten, bedoeld in artikel 4.