Artikel 1
Aan het hoofd van de Visadienst en aan het plaatsvervangend hoofd van de Visadienst wordt de bevoegdheid verleend om:
a. de bevoegdheden, bedoeld in artikel 3.71a, tweede lid, onder c en d, van het Vreemdelingen-besluit 2000 uit te oefenen;
b. de werkzaamheden die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in onderdeel a, te verrichten.
a. de bevoegdheden, bedoeld in artikel 3.71a, tweede lid, onder c en d, van het Vreemdelingen-besluit 2000 uit te oefenen;
b. de werkzaamheden die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in onderdeel a, te verrichten.