1. De in
artikel 4 van de Drank- en Horecawetbedoelde verordening wordt voor de eerste maal tot stand gebracht binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet.
2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde verordening vervallen de voorschriften en beperkingen, gesteld op grond van
artikel 4, tweede lid, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van deze wet.
3. Aan de totstandbrenging bedoeld in het eerste lid en de rechtsgevolgen bedoeld in het tweede lid, wordt door de burgemeester ruime bekendheid gegeven.
4. De burgemeester verstrekt de paracommerciële rechtspersoon zo nodig een gewijzigde vergunning, waarin de voorschriften en beperkingen die voor hem voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde verordening zijn opgenomen.