1. In afwijking van
artikel 49, eerste lid, van het Eindexamenbesluit VOen onverminderd artikel 49, tweede lid van het Eindexamenbesluit VO is in het schooljaar waarin de rekentoets wordt ingevoerd en het daarop volgende schooljaar de kandidaat die eindexamen van een leerweg in het vmbo heeft afgelegd geslaagd indien:
a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;
b. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 5 of meer heeft behaald;
c. hij onverminderd onderdeel b: 1°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of meer en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald;
2°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer waarvan ten minste één 7 of meer heeft behaald; of
3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer waarvan ten minste één 7 of meer heeft behaald;
1°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of meer en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald;
2°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer waarvan ten minste één 7 of meer heeft behaald; of
3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer waarvan ten minste één 7 of meer heeft behaald;
d. hij voor de vakken lichamelijke opvoeding en het kunstvak uit het gemeenschappelijk deel alsmede voor de maatschappelijke stage de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald;
e. als het een eindexamen gemengde of theoretische leerweg betreft: hij voor het sectorwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald; en
f. hij de rekentoets heeft afgelegd ongeacht het daarvoor behaalde eindcijfer.
2. In afwijking van het eerste lid en
artikel 49, eerste en derde lid, van het Eindexamenbesluit VO, is in het schooljaar waarin de rekentoets wordt ingevoerd en het daaropvolgende schooljaar de kandidaat die eindexamen van een leerweg in het vmbo heeft afgelegd ter afsluiting van een leerwerktraject als bedoeld in
artikel 10b1 van de wetgeslaagd indien hij:
a. voor het beroepsgerichte programma en voor het vak Nederlandse taal het eindcijfer 6 of meer heeft behaald; en
b. de rekentoets heeft afgelegd ongeacht het daarvoor behaalde eindcijfer.
Indien de vakken waarin examen is afgelegd, tezamen een eindexamen vormen van de basisberoepsgerichte leerweg, bedoeld in
artikel 10b van de wet, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van
artikel 50, eerste lid, van het Eindexamenbesluit VOen onverminderd artikel 50, tweede lid, van het Eindexamenbesluit VO is in het schooljaar waarin de rekentoets wordt ingevoerd en het daaropvolgende schooljaar de kandidaat die eindexamen vwo of havo heeft afgelegd geslaagd indien:
a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;
b. hij voor één van de vakken Nederlandse taal en literatuur, Engelse taal en literatuur en voor zover van toepassing wiskunde A, wiskunde B of wiskunde C als eindcijfer 5 of meer heeft behaald en hij voor de andere vakken, genoemd in dit subonderdeel als eindcijfer 6 of meer heeft behaald;
c. hij onverminderd onderdeel b: 1°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of meer en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald;
2°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of
4°. voor één van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor één van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
1°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of meer en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald;
2°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of
4°. voor één van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor één van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in artikel 50, tweede lid, van het Eindexamenbesluit VO lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald;
e. hij voor de vakken culturele en kunstzinnige vorming en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel van elk profiel alsmede voor de maatschappelijke stage, de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald; en
f. hij de rekentoets heeft afgelegd ongeacht het daarvoor behaalde eindcijfer.
4. Voor een kandidaat voor wie de wijziging op grond van
artikel II, onderdeel E, vierde en vijfde lid, van het Besluit van 19 augustus 2010 tot wijziging van het Besluit staatsexamens vwo-havo-mavo 2000 en het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. in verband met aanscherping van de slaag/zakregeling in het voortgezet onderwijs(Stb. 2010, 332), nog niet van toepassing is, geldt dat hij in het schooljaar 2015–2016, onverminderd de overige bepalingen van
artikel 50 van het Eindexamenbesluit VO, geslaagd is voor het eindexamen, indien hij voor de rekentoets ten minste één vijf of meer heeft behaald.
5. Indien de kandidaat op grond van
artikel 59 van het Eindexamenbesluit VOmet het afleggen van het gespreid centraal examen is aangevangen:
a. in het schooljaar voorafgaand aan de invoering van de rekentoets: is het eerste lid, onder b, niet van toepassing op zijn eindexamen;
b. in het schooljaar volgende op het schooljaar waarin de rekentoets is ingevoerd: is in afwijking van het eerste lid in de twee opvolgende schooljaren na het het schooljaar waarin de rekentoets is ingevoerd het overgangsrecht in dit artikel van toepassing op zijn eindexamen.
6. In afwijking van het derde lid of
artikel 50, eerste lid, van het Eindexamenbesluit VOis het niet afleggen van de maatschappelijke stage als bedoeld in
artikel 6f, van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor kandidaten waarvoor het
Besluit van 14 juni 2011 tot wijziging van onder meer het Inrichtingsbesluit WVO en het Eindexamenbesluit VO in verband met de invoering van een maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs(Stb. 2011, 401) op grond van
artikel VI van dat besluitniet van toepassing is, niet van invloed op het slagen voor het eindexamen havo of vwo.