BWBR0030284
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 189
Wet voortgezet onderwijs BES
Grondslag der berekening ... [Regeling vervallen per 01-08-2022] 1 Grondslag der berekening is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van elk van de jaren bij de school was ingeschreven. 2 Indien voor de leerlingen binnen redelijke afstand geen plaatsruimte beschikbaar is op een gelijksoortige school, waar het verlangde onderwijs wordt gegeven, past Onze Minister artikel 188 zodanig toe, dat de leerlingen van elk leerjaar de cursus kunnen voltooien. 3 Artikel 188 blijft buiten toepassing, indien de school of scholengemeenschap nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de cursusduur. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school of scholengemeenschap met ingang van het vierde schooljaar indien op deze school in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste een bij ministeriële regeling te bepalen aantal leerlingen zijn ingeschreven. 4 Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag besluiten voor een door hem te bepalen tijd toe te staan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd, ook al is het aantal leerlingen minder, dan in artikel 188 is vermeld of als sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, tweede volzin. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 5 Binnen acht weken na de bekendmaking door het Centraal Bureau voor de Statistiek dan wel door Onze Minister van de aantallen leerlingen per school voor voortgezet onderwijs, stelt de Rijksvertegenwoordiger vast welke door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen gedurende reeds een jaar niet meer voldoen aan de voor hen geldende norm, genoemd in artikel 188 . Wanneer er als gevolg van de opheffing van een school als bedoeld in de vorige volzin, naar zijn oordeel niet meer voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen, draagt de Rijksvertegenwoordiger het bestuurscollege op een verzoek te doen op grond van het vierde lid.