BWBR0030250
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel 8.45
Wet dieren
1. Bij toepassing van artikel 10.4kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling worden bepaald dat tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld op overtreding van de bij die maatregel of regeling genoemde nadere regelen die door het bestuur van het betrokken productschap of bedrijfschap krachtens artikel 10.4, tweede lid, bij verordening als bedoeld in 10.4, derde lid, zijn of worden gesteld, voor zover handelen in strijd met deze nadere regelen als overtreding strafbaar is gesteld.
2. De <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 1, onderdeel b</a>, <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">2</a>, <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3 tot en met 6</a>, <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/15" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">15 tot en met 44, eerste lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/46" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">46 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004</a>zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de instemming, bedoeld in artikel 46 van die wet wordt verkregen van Onze Minister.
3. Onverminderd artikel 8.1, eerste lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, dan wel bij ministeriële regeling, worden bepaald dat met het toezicht op de naleving van de nadere regels waarvoor tuchtrechtelijke maatregelen zijn of worden opgelegd, de bij besluit van het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam aangewezen personen zijn belast. Dit besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister kan het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam een aanwijzing geven omtrent het aanwijzen van toezichthouders en de wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend.
2. De <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 1, onderdeel b</a>, <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">2</a>, <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3 tot en met 6</a>, <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/15" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">15 tot en met 44, eerste lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0016341/artikel/46" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">46 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004</a>zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de instemming, bedoeld in artikel 46 van die wet wordt verkregen van Onze Minister.
3. Onverminderd artikel 8.1, eerste lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, dan wel bij ministeriële regeling, worden bepaald dat met het toezicht op de naleving van de nadere regels waarvoor tuchtrechtelijke maatregelen zijn of worden opgelegd, de bij besluit van het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam aangewezen personen zijn belast. Dit besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister kan het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam een aanwijzing geven omtrent het aanwijzen van toezichthouders en de wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend.