BWBR0030250
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel 2.23
Wet dieren
1. Het is verboden om uitsluitend voor sportprestaties of vermaak het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie.
2. Het is zonder vergunning verboden:
a. het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie;
b. biotechnologische technieken bij een dier of een dierlijk embryo toe te passen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het tweede lid voor zover die handelingen worden verricht ten behoeve van biomedisch onderzoek.
4. Onze Minister verleent een vergunning slechts indien naar zijn oordeel:
a. de handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid of het welzijn van dieren; en
b. tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan.
5. In afwijking van artikel 7.7, eerste lid, vraagt Onze Minister telkenmale omtrent een verzoek tot verlening van een vergunning als bedoeld in het tweede lid advies aan een door hem met betrekking tot dat verzoek in te stellen commissie van onafhankelijke deskundigen.
6. Met toepassing van <a href="/wet/BWBR0026759/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet</a>is <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht</a>niet van toepassing op een aanvraag tot een vergunning als bedoeld in het tweede lid.
2. Het is zonder vergunning verboden:
a. het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie;
b. biotechnologische technieken bij een dier of een dierlijk embryo toe te passen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het tweede lid voor zover die handelingen worden verricht ten behoeve van biomedisch onderzoek.
4. Onze Minister verleent een vergunning slechts indien naar zijn oordeel:
a. de handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid of het welzijn van dieren; en
b. tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan.
5. In afwijking van artikel 7.7, eerste lid, vraagt Onze Minister telkenmale omtrent een verzoek tot verlening van een vergunning als bedoeld in het tweede lid advies aan een door hem met betrekking tot dat verzoek in te stellen commissie van onafhankelijke deskundigen.
6. Met toepassing van <a href="/wet/BWBR0026759/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet</a>is <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht</a>niet van toepassing op een aanvraag tot een vergunning als bedoeld in het tweede lid.